Honolulu King

MATHILDE

De zestiger jaren: de tijd, dat Juliana al lang niet meer onder Bernhard ligt en de Duitsers weer massaal de grens overkomen. Nu om de koikenhoof te overspoelen met hun Germaans geleuter. Eén van die Moffen wordt zelfs een Nederlandse prins; de tweede al binnen dertig jaar! In de zestiger jaren gaat de helft van de katholieken zingend de kerk uit en de andere helft gaat nog biechten, maar ook niet lang meer. Het is het momentum van het Chinees-Indische eten. Nasi Goreng wordt na de aardappel het nationale volksvoedsel. Voor een paar kwartjes kun je zo’n dampend product verpakt in plastic ophalen bij een Javaanse toko om de hoek, waar zich ook de patatzaak van ome Joop bevindt. De ene warme kleffe hap concurreert met de andere, maar de zaak van die Indonesische schone heeft wel betere saus, scherp en zoet en hartstikke rood. De eerste keer heb ik een halve emmer water naar binnen moeten gieten. Mijn moeder heeft de volgende ochtend al het beddengoed moeten verschonen en mijn jongste broer heeft een maand lang hevige brand in zijn anus gehad.

Wij wonen in een klein dorp in de Achterhoek. Aan de ene kant het gezin van hoofdagent Schat en aan de andere zijde de Hollands-Indonesische familie Van der Brand. De echtelieden houden van elkaar: hij van haar lichaam en zij van zijn geld. Blanke dikke Jan heeft Mathilde in Java ergens onder de palmbonen opgeraapt. Mathilde heet eigenlijk Cinta, wat lief meisje betekent, maar iedereen noemt haar Tilly. Pikzwarte haren, bolle wangen, een sensuele kostelijke mond en grote bevallige lippen. Je mocht willen dat jouw vrouw één zo’n lip heeft. Wat een stuk! Met haar grote bruine knikkers van ogen koekeloert ze de wereld in. Soms dociel en een beetje verlegen, maar na een paar jaar in Nederland wordt ze zelfs een beetje ondeugend. Als ze de was gaat ophangen, weet ik niet hoe snel ik op mijn slaapkamer moet zijn voor een paar minuutjes retraite. Ondertussen bekijk ik hoe zij de was ophangt. Ik heb niemand gekend die zo goed en gracieus een waslijn kan hanteren en dan te bedenken dat de helft van de was bestaat uit de grote vergeelde onderbroeken van dikke Jan, in de buurt ook wel DeeJee genoemd.
De belastingdienst weet niet alles van hem, zegt men. DeeJee heeft een groot lichaam te onderhouden; 137 kilo schoon aan de haak. Als hij buiten tegen het kippenhok urineert, moet hij zeker twee minuten zoeken voordat hij zijn apparaat onder zijn lichaam vandaag heeft gehaald. Kun je nagaan wat een hangbuik hij bezit. DeeJee is op het eerste gezicht een vriendelijke man, maar vaak een ongelikte beer. Mijn vader noemt hem altijd Kolonisator. DeeJee heeft chronische astma. Hij spuugt buiten –al hoestend en proestend- met de regelmaat van een Zwitserse klok taaie groene klodders uit. De hennen vinden het heerlijk. Ik heb echter nooit een ei van die domme krengen geconsumeerd en toch krijg, ook ik iedere winter bronchitis. De virussen en bekteriën van DeeJee vliegen gewoon met gemak het tuinhek over en leggen ’s winters de hele buurt plat.
De eeneiige tweeling Van der Brand met hun lichtbruine teint lijkt gelukkig op hun moeder. Je ziet gewoon wat de toekomst voor hun aan schoonheid nog in petto heeft. Tropische verrassingen in cacaoverpakking, maar dan wel aangelengd met een beetje cocosmelk. Het duo is zeer muzikaal en speelt in het Hawaii-bandje, de Honolulu Queens, dat voor de helft uit mannen bestaat.

Op Hemelvaartsdag 4 mei 1967, ik zal het nooit vergeten, is er een concert in de grote achtertuin van DeeJee. De hele buurt is uitgelopen, want het gerucht gaat dat Tilly samen met haar dochters zal optreden. Zelfs mijn opa wil dit zien. Voor hem is een zitplaats op het platte dak van onze keuken gereserveerd. Tegen vijven begint het orkest onder luid gejuich te spelen. Het gaat er gemoedelijk aan toe, totdat na drie kwartier, Tilly, mijn negenendertig jarige buurvrouw, tijdens een solo van de akoestische steelgitaar, in een strooien groenachtig rokje het podium betreedt! Getooid in een bustehouder van bloesem afkomstig van de Keukenhof. Dit kledingstuk accentueert op een elegante manier de mooiste navel van de hele wereld. In haar weelderige haar zit ook een geraffineerd bloemstukje. De hele buurt begint te klappen en een paar jongens roepen: mijn Willy wil Tilly! Mathilde is nog niet begonnen met zingen als DeeJee als een oud verroest VOC-slagschip in het tempo van een slak op oorlogspad uit de achterkeuken de tuin in zeilt. Hij doet z’n best om op snelheid te komen, maar zijn omvang en rokershoest beletten hem tijdig het podium te bereiken. Hij kan niet voorkomen, dat zijn lieftallige volbloed Indonesische echtgenote al half ontkleed staat te heupwiegen op de tonen van Waltzing Mathilda. De finale is definitief begonnen. Het Achterhoekse publiek gaat volledig uit zijn dak en een paar superboeren op klompen stampen op het ritme van het nummer. Leuker kan het niet worden, toch?

Waltzing Mathilda, waltzing Mathilda
You’ll come a waltzing Mathilda with me
And he sang as he sat and waited by the billabong
You’ll come a waltzing Mathilda with me.

En dan zien we het allemaal. DeeJee heeft zijn ouwe jachtgeweer bij zich en probeert Tilly het podium af te duwen. Dat doet hij zo onhandig, dat zijn schietijzer verstrikt raakt in het gewaad en het strooien rokje bij het eerste zuchtje wind haar lichaam verlaat. Even later zit het om het hoofd van mijn twaalfjarige broer gedrapeerd, die maar niet ophoudt om eraan te ruiken. ‘Je t’aime, je t’aime’ is het enige wat hij stamelend kan uitbrengen. Het vocht druipt uit al zijn gaten. Snottebel aan de neus en tranen in zijn ogen. Nog even en hij piest in zijn broek, want hij is in staat om met een harde plasser gewoon te piesen.

In de verte horen we mijn seniele opa vanaf het keukendak roepen: ‘ik wil ook, ik wil ook’, totdat hij door mijn moeder naar binnen wordt gebonjourd. DeeJee, kolonisator van het eerste uur, is duidelijk niet gecharmeerd van deze Javaanse galavoorstelling. Hij neemt niet eens de tijd om z’n vizier scherp te stellen en schiet in onze richting alsof ik er wat mee te maken heb. Door de enorme terugslag van zijn prehistorische Kalasnikov verliest hij zijn evenwicht en valt achterover tegen het drumstel. Na het schelle schot hagel, horen we nu een doffe knal. Het lijkt erop alsof het startschot van de derde wereldoorlog door kanongebulder wordt opgevolgd. Dikke Jan is met zijn blonde harde kop dwars door de grote trommel heen geduikeld. Hij ligt erbij als het bandenmannetje van Michelin zonder hoofd. Tilly in haar zijden tijgerslipje, kijkt ondertussen verdoofd om zich heen niet wetend wat te doen. De schot hagel is over onze hoofden gevlogen en geland in de rechterschouder van onze andere buurman de arrogante lange politieman Schat. Hermandad valt ook op zijn gat, geveld door een beetje verroeste munitie uit het jaar nul.
Wat een show! Twee slachtoffers, een naakt wijf en goeie muziek. Kom daar eens om in de Achterhoek van vóór ‘Normaal’. De boeren op klompen zingen ondertussen: ‘Wej goan noch nie noar huus’, gevolgd door ‘We want more’. Ik zie nu eindelijk kans voor een afrekening. Voordat er ook maar enig leven in die vette bierworst van DeeJee komt, pak ik zijn jachtgeweer en schiet hem dwars door zijn hoofd.

Een vereffening voor alle vernedering van mijn mooie buurvrouw. In totaal maak ik negen slachtoffers, waaronder één Duitser met de naam Bennie Claus, die ik toevallig tijdens mijn vlucht tegen kom. Allemaal ouwe kerels die hun vrouw belazerd, gekrenkt en onteerd hebben. Eindelijk gerechtigheid. Ik vlucht door de bossen en over de velden en kom nooit meer terug.

You’ll come a waltzing Mathilda with me.

Geert Schreur