De tweede november

De tweede november

Ross vergaloppeert zich aan “De tweede november”.

Ross schrijft fantastische polderliteratuur, dat blijft steken in de modder van zorgvuldig gekozen beledigingen, vooroordelen en schuttingwoorden. Nou is het niet erg om een keer een ordinair woord tegen te komen, maar van een schrijver verwacht je toch, dat die in staat is een karakter goed uit te beelden zonder steeds in schunnigheden te vervallen. De woorden “kut” en “geitenneuker” komen het meest voor. Op bladzijde 220 staat het woord “kut”, alleen of in een samengestelde uitdrukking, maar liefst zeven keer. Iedere homo wordt als een nicht afgebeeld en veel vrouwen zijn lekkere wijven: “blank, blond en grote tieten”. Marokkanen worden omschreven als “geitenneukers”, “de schoonmaakploeg van Ali Baba” of “een spook in een boerka”. Het gaat hier weliswaar om de gedachten van zijn karakters, maar het refereert aan een niveau dat nog minder is dan het leuteren tijdens “Voetbal International”. Daar treft de hoon iedereen die niet kan tippen aan het superioriteitsgevoel van de makers en zo is dat ook bij Ross. De relatie met seks is nooit ver weg: op pagina 108 wordt een Marokkaanse beschreven “in zo’n geil mantelpakje……neuken natuurlijk”. Rechercheurs zijn vooral brute ondervragers en de AIVD schijnt alleen uit alcoholisten te bestaan.

Opwindend wordt het boek echter nooit. Ross beschrijft de wereld van lieden die hun medemensen alleen op een neerbuigende manier kunnen behandelen en dat gaat enorm vervelen. Wat is er nou leuk aan om te lezen dat er “een gansje achter de receptie zit” of dat het om “een Haags hockeytrutje” gaat. Ross vertolkt blijkbaar de huidige stemming in Nederland sinds Fortuyn. We praten niet met elkaar, maar schreeuwen elkaar beledigingen toe, ondertussen een middelvinger tonend. Af en toe wordt het erg platvloers: “Ja met Theo, waar zit je verdomme? Ben je de nonnen in een klooster aan het beffen?” (pagina 235) Humor voor mannen.

Het verhaal is gekunsteld en hangt van toevalligheden aan elkaar. Zo verstopt ene Hamid zich op de vlucht in het ziekenhuis waar zijn ex, een “verpleegster”werkt, die op dat moment met weer een andere ex, een chirurg, de liefde bedrijft. Hamid heeft mazzel: hij kan vluchten in de doktersjas van de chirurg en niemand die hem betrapt. Via allerlei omzwervingen spoelt hij aan op het vasteland van Friesland op 20 kilometer van het woonhuis van de ouders van zijn vriend, die daar toevallig op bezoek is. Die is wel bereid om hem een lift te geven naar Amsterdam, want hij moet toch die kant op, namelijk naar Vlissingen waar hij in een band speelt. Zwak. Ross balanceert tussen feit en fictie, maar vindt geen goed evenwicht. Hij vooronderstelt een complot achter de moord op Theo van Gogh, maar dat wordt nergens duidelijk. Op het eind gloort er een beetje hoop, maar ook dat verdwijnt al snel. Hij vergaloppeert zich aan het plot, dat nodeloos ingewikkeld is. Ross had twee opties: of de feiten rond de moord onderzoeken of een spannend, volledig gefantaseerd thrillerverhaal schrijven. Iets er tussenin is niet mogelijk gebleken. Waarom zou je feiten en fictie vermengen als je veel fantasie hebt? Dat heeft Ross ook niet. Hij heeft de feiten nodig om zijn gebrek aan creativiteit te maskeren. Ross is een literaire dwerg en dat zijn z’n eigen woorden, want op bladzijde 107 verwijst hij naar zichzelf en gebruikt hij ook deze omschrijving. Wat een zelfkennis! Op pagina 380 waarin hij zich verantwoordt, geeft hij het ook toe: “Het is vaker opgemerkt, de werkelijkheid is een stuk dramatischer dan onze fantasie” en zo is het maar net. Had toch gewoon de feiten onderzocht.

Geert Schreur.