De drinker (recensie)

De drinker (1) Hans Fallada (Rudolf Wilhelm, Friedrich Ditzen)

Hamburg, 1950 (Amsterdam 2012)

Erwin Sommer, een gerespecteerd handelaar in landbouwzaden in een provinciestad, net de veertig gepasseerd, ziet de laatste tijd de zaken wat minder gaan. Een driejarig contract met een gevangenis wordt door een zekere laksheid van de kant van Sommer niet verlengd. Het is de vraag of de firma dit fiasco overleeft. De tegenslagen wil hij echter voor zijn vrouw Magda verbergen, temeer daar hij in zijn huwelijk recentelijk enige koelte van haar kant bespeurt en hij intussen niet op haar bemoeizucht zit te wachten. Na een korte woordenwisseling met zijn vrouw, komt hij erachter hoe goed een paar glazen wijn, uit een ooit van een tevreden klant cadeau gekregen fles, kunnen vallen.                                                                                                  
Niet lang nadat de fles wijn soldaat is gemaakt, staat het leven van Erwin Sommer volledig in het teken van de drank. Sommer begint te zuipen, eerst stiekem, daarna min of meer openlijk, en raakt onder invloed van dubieuze figuren. Hij wentelt zich in zelfmedelijden en beleeft ‘een schrijnend wellustig gevoel van zelfvernedering’. Zijn argwaan en irritatie ten opzichte van Magda krijgen paranoïde trekken. Het ene moment is hij ervan overtuigd dat ze niets merkt, het andere moment heeft hij het idee dat ze hem volkomen doorziet. Daarbij verliest hij zich in de waan een relatie te hebben met een barmeisje, dat in werkelijkheid slechts uit is op zijn laatste contanten. Ook een onbetrouwbare, Poolse kamerverhuurder Polakowski, bij wie Sommer zijn intrek neemt, doet wat menselijke slechtheid in deze roman betreft een aardige duit in het zakje, want ook hij slaat munt uit de laveloze hoofdpersoon.          
Sommer zelf is overigens allerminst de onschuld zelve: hij is een man die sterk op zichzelf is gericht en niet geneigd zijn echtgenote als bondgenote te zien. De drank nu stuwt de achterdocht jegens haar tot ongekende hoogte. Daarbij komt Sommer zo diep te zakken dat hij, om maar aan geld voor drank te komen, in zijn eigen huis gaat inbreken. Als het daarbij tot een handgemeen met zijn vrouw komt, dreigt hij haar te vermoorden. Zover komt het echter niet. Sommer maakt zich snel uit de voeten met zijn buit van bijeen gegraaide lijfsieraden en tafelzilver. Vanaf dat moment is het zaak om uit handen van de politie te blijven. Wanneer hij echter in het holst van een andere nacht stampei maakt voor zijn gesloten stamkroeg, haalt hij zich diezelfde politie alsnog op de hals en wordt hij weldra in verzekerde bewaring gesteld.                  
Sommer, naïef en een beetje laf, stort zijn hart uit bij de president van de rechtbank, hopend op clementie. Sommer komt in een nachtmerrie terecht. In plaats van de verwachte spoedige vrijlating uit de gevangenis wordt hij berecht, ontoerekeningsvatbaar verklaard en in een gesloten kliniek opgenomen. Aanvankelijk voor zes weken, zo denkt hij.                                                                                
De omstandigheden in deze inrichting zijn nog erger dan in de gevangenis. Een bonte stoet medegevangenen figureert in de revue van de hel, waar wetteloosheid eerder regel dan uitzondering is. Maar de door gevaarlijke gekken omringde hoofdpersoon koestert tussen alle ellende door ook nog hoop op een verzoening met zijn vrouw, want ze zal toch wel niet eeuwig kwaad kunnen blijven vanwege zijn poging tot doodslag? Op zekere dag krijgt hij van de opperwachtmeester onverwachts te horen dat zijn vrouw er is om hem te spreken Het loopt uiteindelijk toch even iets anders: zijn vrouw komt hem vertellen dat zij van hem wil scheiden en haar leven verder wenst voort te zetten met de zakenconcurrent Heinrich Heine. Wanneer  Sommer dit hoort, ontsteekt hij in woede en spuugt zijn vrouw in haar gezicht. Later in zijn cel weet Sommer zich te herpakken en te berusten in zijn situatie (een poging om de inhoud van een halveliterfles met alcohol 95% met water aan te lengen en op te drinken, loopt verkeerd af).                                                                                             Enige tijd later is de rechtszitting waar het besluit valt hem levenslang te geven. Om die toekomst in te korten begint hij met regelmaat het sputum op te drinken van tuberculosepatiënten uit de inrichting. De eerste tekenen van tbc kondigen zich spoedig ook bij hem aan.                                                                                                      
Het verhaal eindigt wanneer Sommer spreekt over de hoop die hij koestert op een in alcoholroes gedrenkt stervensuur waarin het hem zal toeschijnen dat zijn leven niet tevergeefs is geweest.

PC

De drinker (2)

Naar aanleiding van het boek De Drinker van Hans Fallada

De Drinker van Albert Anker, 1868
Het welig tierende alcoholisme in de negentiende eeuw zorgt voor veel sociale ellende. Voor talrijke arme stumperds betekent de jenever een vlucht uit beroerde omstandigheden. Geregeld geven de arbeiders een aanzienlijk deel van hun weekloon uit aan deze voezel, jandoedel of petroleum, waarmee ze hun gezin in leed en ellende onderdompelen. In 1868 schildert de Zwitser Albert Anker op een realistische manier hoe de alcohol iemand kan verwoesten. De man op het indrukwekkende schilderij heeft een onverzorgd kapsel, een gegroefd gelaat en een grote alcoholneus. Hij ziet er gebroken uit, zijn leven is kapot. In zijn kloffie zijn overal gaten gevallen vanwege de ouderdom. Zijn spaarzame centen worden duidelijk niet aan persoonlijke verzorging besteed, de voezel kost hem te veel. Ongewassen stinkt hij een uur in de wind, maar daar heeft hijzelf geen last van, want hij is de enige die het niet ruikt. Waarschijnlijk laat hij ook af en toe zijn urine lopen. In doffe berusting staart dit eenzame en hologige heerschap wanhopig voor zich uit; zijn toekomst is een verwoest leven. Hij zal zich slechts gelukkig prijzen met wat hij nog aan petroleum in zijn glas heeft zitten.
Ook als de twintigste eeuw al lang en breed is begonnen, zijn er voortdurend dronkemanstonelen. Waarachtige volkse types slaan na een nacht zuipen thuis de boel kort en klein. Hun beschonken krachttoer eindigt meestal op het politiebureau en eenmaal in de boeien laat hun geheugen hen in de steek en kunnen ze zich niets meer herinneren.

Geert Schreur